Anna en Maria

Anna en haar man Joachim waren (volgens de overlevering) gehuwd, welgesteld, maar kinderloos. Zij leefden helemaal volgens de Wet van God. Toch wordt het offer van Joachim in de tempel geweigerd, omdat hij geen kinderen heeft. Joachim vlucht met zijn kudde de woestijn in. Anna denkt dat hij dood is en doet haar beklag bij God en vraagt om een kind. Haar gebed wordt verhoord. Tegelijk krijgt Joachim van een engel te horen, dat zijn vrouw in verwachting is. Hij keert met zijn kudde terug en ontmoet zijn vrouw bij de Gouden Poort in Jeruzalem en geeft haar een kus. Anna geeft het leven aan een meisje: Maria. De ouders wijden het kind aan God en brengen Maria, als zij drie jaar oud is, naar de tempel. Daar wordt zij gevoed door engelen.

 

Als zij twaalf jaar oud is, wordt Maria door de hogepriester uitgehuwelijkt aan Jozef, een weduwnaar op leeftijd. Jozef heeft kinderen en is aannemer. Hij mag Maria alleen maar behoeden. Onmiddellijk na het huwelijk vertrekt hij voor enkele maanden naar een bouwkarwei. Maria wordt intussen van Godswege zwanger. Als Jozef thuiskomt ziet hij dat Maria in verwachting is. Ook de hogepriester komt dit te weten. Maria en Jozef moeten de proef met het bittere water ondergaan, maar doorstaan die glansrijk. Jezus wordt onderweg naar Bethlehem geboren in een grot. Een vroedvrouw constateert, dat Maria nog steeds maagd is.